| |
Kaďn zei tegen de HEER: ‘Die straf is te zwaar.
en ze zeiden tegen elkaar: ‘Dit is onze straf omdat we ons niets hebben aangetrokken van de smeekbeden van onze broer, terwijl we toch zagen dat hij doodsbenauwd was. Daardoor zitten wij nu in de ellende.’
Weigert u dat, dan straf ik uw hele rijk met een kikkerplaag.
Maar jullie zal ik voorbijgaan: (12:13) voorbijgaan – In het Hebreeuws is er een woordspel tussen het werkwoord pasach, ‘voorbijgaan’, en pčsach als naam van het met de uittocht verbonden feest. aan het bloed zal ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee ik Egypte straf, jullie niet treffen.
Als jullie mij dan nog niet willen gehoorzamen, zal ik de straf voor jullie zonden zevenmaal zo zwaar maken:
Als jullie tegen mij in blijven gaan en mij niet willen gehoorzamen, zal ik de straf voor jullie zonden nog zevenmaal zo zwaar maken:
U moet hem ter dood brengen; samen met uw volksgenoten moet u hem stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moet u de eerste steen werpen. Dat is zijn straf, want hij heeft geprobeerd u te vervreemden van de HEER, uw God, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd.
dan moet u hem de straf opleggen die hij de ander had toebedacht. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren.
aanhoor hem dan vanuit de hemel en grijp in. Spreek recht over uw dienaren, verklaar de boosdoener schuldig en geef hem zijn verdiende straf, maar spreek de onschuldige vrij en herstel hem in zijn recht.
Ze zeiden hem: ‘Dit zegt Hizkia: “Deze dag is er een van angst, straf en vernedering: het is als bij een geboorte waarbij de baarmoeder ontsloten is maar de kracht om te baren ontbreekt.
aanhoor hem dan vanuit de hemel en grijp in. Spreek recht over uw dienaren, vergeld de boosdoener zijn misdaad en geef hem zijn verdiende straf, maar spreek de onschuldige vrij en herstel hem in zijn recht.
Want hoewel de Arameeërs hun aanval ondernamen met een kleine troepenmacht, leverde de HEER een zeer groot leger aan hen uit, omdat de Judeeërs zich van de HEER, de God van hun voorouders, hadden afgewend. Ook aan Joas werd de straf voltrokken.
Gelukkig de mens die door God wordt getuchtigd, wijs daarom de straf van de Ontzagwekkende niet af!
Stel, een mens heeft tegen God gezegd: “Ik heb mijn straf gekregen, ik zal niets kwaads meer doen.
HEER, straf mij niet in uw woede, tuchtig mij niet in uw toorn.
uw hand, HEER, mij verlossen van die mannen des doods, die leven voor kortstondig gewin.
Ze mogen hun buik vullen met de straf die hun toekomt,ze mogen hun kinderen ermee verzadigen,hun kleinkinderen geven wat ervan overschiet.
Wees niet vertoornd, HEER, straf mij niet,bedwing uw woede, sla mij niet.
U kastijdt de mens als straf voor zijn zonde,als een mot vreet u weg wat hij begeert,niet meer dan lucht is een mens. sela
Gaan zij hun straf ontlopen?Toon uw toorn, God, en sla dat volk neer!
HEER, God van de hemelse machten,God van Israël, ontwaak en straf alle volken,heb geen genade met verraad en onrecht. sela
|
|
God heeft de uitspraak wel gehoord van hen die zeiden: "God is arm en wij zijn rijk." Wij zullen opschrijven wat zij zeiden en ook dat zij de profeten zonder enig recht doodden en Wij zullen zeggen: "Proeft de straf van de verbranding."
Denk niet dat zij die zich verheugen over wat zij bereikt hebben en die graag geprezen worden voor wat zij niet gedaan hebben, denk toch niet dat zij voor de straf in veiligheid zijn. Voor hen is er een pijnlijke bestraffing.
Ook al hadden zij die ongelovig zijn alles wat er op de aarde is en nog eens evenveel om zich ermee van de straf van de opstandingsdag vrij te kopen, het zou van hen niet worden aangenomen. Voor hen is er een pijnlijke bestraffing.
God zei: "Ik laat haar tot jullie neerdalen. Wie daarna van jullie nog ongelovig is die zal Ik straffen met een bestraffing zoals Ik niemand van de wereldbewoners straf."
Maar als God iemand op het goede pad wenst te brengen dan stelt Hij diens hart open voor de overgave [aan God] en als Hij iemand tot dwaling wil brengen dan maakt Hij diens borst zo nauw en beklemd dat het is alsof hij moeizaam naar de hemel opklimt. Zo legt God de gruwelijke straf op aan hen die niet geloven.
Als jij maar kon zien wanneer de engelen hen die ongelovig zijn wegnemen, terwijl zij hen op de gezichten en hun ruggen slaan: "Proeft de straf van de verbranding."
Niemand kan geloven zonder Gods toestemming en Hij legt de gruwelijke straf op aan hen die niet verstandig zijn.
O mijn vader, ik ben bang dat een straf van de Erbarmer jou zal treffen en dat jij dan een volgeling van de satan wordt."
Als hen zelfs maar een vleugje van de straf van jouw Heer treft dan zeggen zij al: "Wee ons, wij waren onrechtplegers."
Op de dag dat jullie het zien zal elke zogende vrouw wat zij zoogt veronachtzamen en elke zwangere zal wat zij draagt baren. En je zult de mensen dronken zien, al zijn zij niet dronken. Maar Gods straf is streng.
Telkens als zij van smart eruit wensen te gaan, worden zij erin teruggebracht en [wordt tot hen gezegd]: "Proeft de straf van de verbranding."
Zij die ongelovig zijn blijven erover in twijfel totdat het uur onverwachts tot hen komt of totdat de straf van een troosteloze dag tot hen komt.
Zij hebben jullie dus over wat jullie zeiden van leugens beticht. Jullie kunnen het niet afwenden en geen hulp krijgen en wie van jullie onrecht pleegt laten wij een grote straf proeven.
Toen bewees God ons een gunst en beschermde ons voor de straf van de verzengende gloed.
Toen greep God hem door aan hem de straf van het hiernamaals en die van het tegenwoordige bestaan te voltrekken.
|